Technische uitleg van het bierbrouwen
De kern van het
brouwen is om het zetmeel in suiker om te zetten. Alle zetmeel
van eender welke graansoort kan tot suiker worden omgezet als de
nodige enzymen of diastasen aanwezig zijn. (Diastase komt van het
grieks diastasis wat betekend scheiden.) Een diastase of ook
ensymie genoemd is een organische oplosbare substantie die in een
zeer kleine hoeveelheid door een levend organisme wordt
voortgebracht en dat een scheikundige reactie versnelt.
Waarom is gerst nu als voornaamste graansoort tussen alle
graansoorten uitgekozen tot het bereiden van bier? Omdat de
gerstekorrel van nature een goede evenwichtige verhouding en alle
nodige elementen bevat, waaronder ook de nodige diastasen om op
een rationele wijze dit omzettingsproces uit te voeren. Bij het
bierbrouwen wordt rond de 65% zetmeel tot suikers omgevormd. En
de rest van de gerstekorrel, 9 à 12% stikstof voor de
smaak en schuimvorming, de vezels voor de filtratie. De overige
elementen zijn, zouten, gomstoffen, organische fosfaten,
looistoffen, vetstoffen en ongeveer 14 à 17% vocht.
Om
een brouwsel op een technisch aanvaardbare tijdspanne af te
werken is het noodzakelijk de ruwe gerst voor te behandelen, wat
men "mouten" noemt. De gerstekorrel heeft nogal een
ingewikkelde physieke struktuur waarbij de enzymen ingekapseld
zitten in een latente vorm. Het vrijmaken van de enzymen
gebeurt door de gerstekorrel op te laten zwellen, zodat alle
komponenten los van elkaar komen te liggen. Deze bewerkingsfase
noemt men het inweken. Men zet de gerst onder water totdat deze
ongeveer 45% water bevat. De gerst wordt daarna naar grote
ruimtes overgebracht die men kiemkamers noemt. Daar beginnen dan
onder invloed van de warmte en de vochtigheid de enzymen vrij te
komen die de gerst doet kiemen en wortels doet krijgen. Alle
enzymen die zich in latente toestand bevonden worden nu aktief.
Het is een zeer delikaat werk om op het juiste moment in te
grijpen en dit proces stop te zetten en alle enzymen weer in een
latente toestand terug te brengen. De daaropvolgende bewerking
noemt men "afcesten". Men brengt de gekiemde gerst naar
de droogkamers die men "cest" noemt. Hier blaast men
met grote snelheid van onderen af warme lucht door de vochtige
massa om zo het graan terug te drogen en alle enzyme-activiteit
stil te leggen zonder deze te vernietigen. Daarna wordt het graan
door droge koude lucht gekoeld. Het vochtgehalte moet nu minder
dan 5% zijn. Na deze bewerking van de graankorrel is die zo
"ontredderd" dat deze ongeveer 6 weken nodig heeft om
terug in evenwicht te komen voordat de mout rijp is en geschikt
om als grondstof gebruikt te worden bij het brouwen.
De
mout wordt eerst gemalen. Maar voordat de brouwer begint met
malen, stelt hij zich de vraag hoeveel hij moet malen om tot het
uiteindelijke produkt te komen. Eenheden van berekening R%=RV*V /
S waarbij R%= beoogde extract, RV= Plº = gram extract in 100
ml, V= volume voorzien in Hl, S= gewicht in kg (restanten),
R%=12Plº * 100Hl / 1600=75% extract. In dit geval moet men
dus 1600 kg mout vermalen. Een woordje over de enzymen. Van de
aanwezige enzymen in de graankorrel zijn de alfa en beta amylasen
de voornaamste. Zij maken het zetmeel vrij uit de nogal
ingewikkelde samengestelde ketens waaruit de graankorrel is
opgebouwd. Ook de afbouw van de eiwit-componenten is zeer
complex. Zij zorgen voor een evenwichtige mengeling van lichte,
midden en grote molekulen van de samengestelde eiwit-componenten
die dienen voor de geur, de smaak en een mooi houdbaar schuim.
Met deze enkele enzymen kan men nu een hele reeks bieren brouwen.
Enzymen zijn zeer temperatuurgevoelig en pH- gevoelig (waterstof
exponent) Zo kan men door deze twee factoren de enzyme-activiteit
bevorderen, afremmen of vernietigen. Dus de enzyme-activiteit
wordt bepaald door de optimale temperatuur en zuurtegraad (pH).
Samengevat is heel het brouwproces een spel met enzymen die in de
grondstoffen aanwezig zijn.
Brouwvoorwaarden: 3 à
4 liter water per kg te storten meel, temperaturen tussen de 10
en 80º C, Enzymen of diastasen, alfa amylase, beta amylase,
fosfatase, glucamase, proteinase, dextrinase en een zuurtegraad
tussen 4 à 7pH. De gevormde suikers, fructose, glucose,
sacharose, maltotriose, maltotetraose, maltopentose,
maltohexaose, dextrine. Met deze voorwaarden en stoffen speelt de
brouwer om bier te maken naar zijn wens. Hij kan natuurlijk een
beroep doen op mengels van verschillende graansoorten, extracten,
verschillende suikers, planten en een heel gamma van aromaten,
vruchten etc. Hoe dan ook, de brouwer moet vooral erop letten,
dat al de meelstoffen in suiker zijn omgezet.
Filtratie,
er zijn verschillende methoden van filtratie. Ze hebben allen
maar een doel, de vloeibare opgeloste extracten te scheiden van
de niet oplosbare substanties zoals, de pellen van de mout, de
gestolde eiwitten, gommen etc. De niet opgeloste stoffen dienen
tot filterlaag en noemt men draf of most. Nu wordt de affiltering
van de opgeloste extracten nagespoeld met heet water tot dat de
filterlaag gen extract meer bevat. Dit vloeibaar extract, "wort"
genoemd wordt nu naar de kookketel overgebracht.
Het koken, het eerste doel van het koken is een goede steriliteit te
verkrijgen en de niet gewenste eiwitgroepen te laten stollen. De
humulonen van de toegevoegde hoppen te isomeren tot isohumulonen
die de bitterheid, smaak en het geur-banquet van het bier
verrijken. Voor heel dit proces van het koken van de wort bestaan
er geen vaste regels. Elke brouwer kan dit naar eigen goeddunken
zelf aanpassen.
Na het koken wordt de wort afgekoeld tot
een temperatuur die aangepast is aan de gist die de brouwer
gebruikt. Deze gisten worden in twee hoofdklassen ingedeeld. De
saecharomyces cerecifiae = hoge gisting. De saecharomyces
carlsbergensis = lage gisting. Er bestaan daarbuiten nog
tientallen andere gisten maar hierop ingaan vraagt een zeer
gedegen kennis in de biochemie. De gisting heeft tot doel de
suikers in de wort om te bouwen tot alcohol en koolzuurgas de
verhouding van deze splitsing is voor beiden stoffen juist 50/50.
Deze vergiste wort noemt men bier.
Na de gisting wordt
het bier aan een lagering of rijping onderworpen. Ook hier zijn
er vrij veel uiteenlopende opvattingen wat betreft de tijdsduur
en temperaturen. Wanneer volgens de mening van de brouwer het
bier rijp is, wordt het wel of niet gefilterd en vervolgens in
flessen of vaten afgetrokken. Hier onderscheidt men twee
methoden. Bij alle lage-gistings- en sommige hoge-gistings-bieren
wordt het bier verzadigd met koolzuur. Bij sommige
hoge-gistings-bieren wordt een weinig suiker en gist toegevoegd
om een saturatie op fles of vaten te verkrijgen.
|